PLAISIERSBOS (Zedelgem)

Historiek:

Het Plaisiersbos is een jong ontginningsgebied.
Tot voor een paar eeuwen bestond het gebied nog uit woeste, onbewerkte (niet gecultiveerde) gronden. Het "Veldt" of "Bruyère" zoals de streek genoemd werd was een uitloper van het grote Bulskampveld dat zich over een breedte van ongeveer 3 km uitstrekte van Torhout tot Loppem.
Op de kaart van Ferraris (ca 1775) wordt het noordelijk gedeelte naar Loppem toe, aangegeven als het 'Haemersveld' en het meer zuidwaarts gelegen deel als de 'Loovelden'. Het veldt bestond uit verspreid bos en was doorspekt met talrijke vijvers en moerassen. Er waren uitgezonderd de paden, geen wegen, waardoor het moeilijk toegankelijk was en praktisch onbewoond. De schaarse bevolking bewoonde de randen en de twee primitieve kernen, het 'Lepegat' en 't Hoge veldt'.
Het gebruik van sommige delen van het veldt was onderworpen aan een "cijns", dit is een soort erfpacht of vergoeding (in geld of natura) tegenover de eigenaar. Voornoemde velden vielen binnen de Heerlijkheid Den Houtschen op Lophem, die ongeveer 25 cijnzen telde. De naam "cijnsdreef" (grens tussen Torhout en Veldegem) is mogelijks een verwijzing naar de tijd van toen. Op het einde van de Cijnsdreef heeft ooit een afspanning " De Cijns" gestaan. De "Herderinnedreef" kruist de Cijnsdreef en geeft zuidoostelijk toegang tot het Plaisiersbos. OP de kaart van Van der Maelen (1845) komt een "Herderinne Cabaret" voor. Deze namen verwijzen naar de grazige heideachtige toestand van het veldgebied tijdens de achttiende en negentiende eeuw.
De veel voorkomende struikheide ( calluna vulgaris) op het veldt werd door de bewoners 'krakke' genoemd. Het werd in de herfst gekapt, getrokken of gemaaid en na droging gebruikt als brandstof, strooisel en zelfs als dakbedekking op de schamele lemenhuisjes. De dopheide (erica cinerea) is minder ruig en werd 'heed' genoemd. Zowel krakke als heed leenden zich uitstekend voor het vervaardigen van veegbezems en pottebezems. De benamingen 'Bezembinderstraat' en 'wijk Pottebezem' getuigen nog van deze activiteit. De inwoners van Veldegem zijn heden ten dage nog bekend als het 'krakkevolk'.

Reeds tijdens de Oostenrijkse tijd drong de ontginning van veldgebied zich op en dat mede door de stijgende vraag naar hout en de behoefte aan meer voedsel. Het in productie nemen van woeste gronden werd door de opeenvolgende machthebbers (Oostenrijkers, Fransen, Hollanders en Belgen) aangemoedigd via vrijstellingen van belasting. Op het einde van het ancien regime waren grote delen van het "veldt in het bezit van de adellijke familie van Outryve uit Brugge. Ridder Jean-Jaques van Outryve de Merckem (1740-1815) vatte het plan op om deze veldgebieden, voornamelijk op Lophem en op het latere Veldegem te ontginnen en te bebossen. Dit was voornamelijk het werk van zijn pachter Pieter Maertens. Na ontwatering  en drooglegging werd er gekozen voor een rationele methode voor bebossing. Er werden veel rechtlijnige dreven aangelegd in Dambordstructuur, omzoomd met hoogstammige bomen. De zijden van de percelen hadden een lengte van ongeveer 200 tot 250 meter. Deze dambordstructuur is nog altijd te onderscheiden in het stratenplen van Veldegem. Enkele namen verwijzen nog naar de tijd van een paar eeuwen geleden. We noteren: Bosdreef, Klaverdreef, Belledreef, Bosserij, Boswegel, Halfuurdreef, Cijnsdreef, Herderinnedreef, Acaciastraat die vroeger Acaciadreef heette. De Halfuurdreef was een halfuur gaans lang en liep van op het grondgebied Loppem tot in Torhout.

In de tweede helft van de negentiende eeuw kwamen de meest zuidelijk gelegen bossen in het bezit van de familie de Crombrugge-Matthieu. In de boswachtershoeve, die op de gevel het jaartal 1840 draagt, werd August Plaisier (1855-1933) als opzichter geinstalleerd. August , voorzien van een Leopold II baard, was een opmerkelijk ondernemende persoon. In februari 1990 diende hij bij het Torhouts stadsbestuur een aanvraag in voor de installatie van een permanente steenoven langs de Herderinnedreef.. Door zijn uiterlijk was August Plaisier een ontzag afdwingende verschijning. Als toeziener, boswachter en beheerder van de steenoven was hij de aanleiding  tot de naam "Plaisiersbos".

In 1975 werden het Plaisiersbos, de omringende landerijen en de pachthoeven door de erfgenamen van de laatste adellijke eigenaar verkocht. Het bos, nog 22 hectaren groot, werd samen met nog wat aanliggend weiland aangekocht door de nv Roodaerd uit Waardamme. Het  werd strikt privé gehouden en als jachtgebied uitgebaat. Talrijke lage volières getuigen nu nog van de tijd dat honderden gekweekte fazanten werden uitgezet. Tengevolge jarenlange jachtpractijken vertonen veel bomen, vooral beuken, aanzienlijke hagelschade. De positieve kant van deze periode is het feit dat het waardevolle bos voor verdere verloedering en verkaveling gespaard bleef.

Eind 1999 werd het Plaisiersbos door de gemeente  Zedelgem aangekocht. Het beheer werd contractueel toevertrouwd aan de plaatselijke natuurvereniging  Natuurpunt inZICHT.



Natuurwaarde:

Het Plaisiersbos is een oud, gemengd loofbos met overwegend inheemse bomen en struiken in een gevarieerde structuur. Gedurende decennia is het afgesloten geweest waardoor spontane regulierende processen hun gang konden gaan. Op de biologische waarderingskaart is het gebied donkergroen ingekleurd, wat betekent biologisch waardevol. Bij een inventarisatie door Thomas Defoort werd het bos gekarakteriseerd als een zuur eiken-beukenbos, met een zeer interessante zone met eiken-haagbeukenbos, het meest soortenrijke type bos van alle bostypes.
Zuur eikenbos en eiken-beukenbos.
Het grootste deel van het bos behoort tot het zuur eikenbos-type (Qa), met plaatselijk dominantie van beuk in de boomlaag (Fs), es, haagbeuk en esdoorn komen regelmatig voor.
Het bos werd vroeger beheerd als als een middelhoutbos, met voornamelijk zomereik, soms Amerikaanse eik en plaatselijk ook beuk in de boomlaag en met een hakhoutlaag van esdoorn. Op verschillende percelen werd tussen de aanwezige eiken en beuken tevens lork en soms ook populier ingeplant.
In de struiklaag vinden we lijsterbes, spork, ruwe berk, esdoorn, tamme kastanje en hulst, aangevuld met es en vlier op wat rijkere en nattere plaatsen. De talrijkste soorten in de ondergroei zijn braam, wilde kamperfoelie, adelaarsvaren en brede stekelvaren. Dubbelloof groeit vooral langs de grachtkanten. Op enkele plaatsen komt hop voor. De kruidlaag is best ontwikkeld in de dreven en bosranden en bevat zachte witbol, pijpestrooitje, valse salie, witte klaverzuring, boszegge, veelbloemige salomonszegel (zie foto), gewone wederik, bleeksporig bosviooltje, wijfjesvaren, nagelkruid.

Eiken-haagbeukenbos
In het noordoostelijk deel van het bos komt op de laagste en natste delen van de vallei een ecologisch zeer interessant bostype voor. Het gaat hier om het eikenhaagbeukenbos (Qa). Belangrijke soorten in de boom- en struiklaag zijn veldiep, meidoorn en zwarte els. Het uitgesproken voorjaarsaspect is hier opvallend met soorten als speenkruid en bosanemoon. Ook de in deze regio zeer zeldzame kleine maagdenpalm is hier sterk vertegenwoordigd,  naast dalkruid en enkele exemplaren gevlekte orchis. Het eiken-haagbeukenbos is gebonden aan iets rijkere bodems dan het zuur eikenbos en is zeldzaam in de Vlaamse zandstreek. De aanwezigheid van dit bijzondere bostype en de gradiënten naar het aangrenzende bos op basis van verschillen in bodemvochtigheid, bodemtype en reliëf zijn van groot belang voor de natuurwaarde van het Plaisiersbos.


Beheer

De algemene doelstelling is het behoud en ontwikkeling van een gevarieerd, gesloten tot halfopen boslandschap afgewisseld met enkele schrale graslanden en struweelrijke ruigtes en met goed ontwikkelde zoom- en mantetlvegetaties. De nadruk ligt voornamelijk op patroonbeheer.
Een grote structuurrijkdom en een natuurlijke soortensamenstelling van bomen enstruiken staat hier voorop. De structuurrijkdom wordt hierin vooral bepaald door de aanwezigheid van open plekken, de ongelijkjarigheid van de boomlaag en de aanwezigheid van zowel liggend als rechtopstaand dood hout, naast spontane verjonging.

Specifieke doelstellingen naar vegetatie en fauna
De ontwikkeling van volgende vegetatietypen wordt beoogd:
zuur eikenbos en eiken-beukenbos met als specifieke soorten o.a. pijpestrooitje, adelaarsvaren, valse salie, pilzegge, wilde kamperfoelie, dalkruid, ruige veldbies, guldenroede. (Fago-Quercetum)
eiken-haagbeukenbos met voorjaarsaspect en als specifieke soorten o;a. haagbeuk, speenkruid, bosanemoon, gele dovenetel, donker en bleeksporig bosviooltje, klein maagdenpalm, witte klaverzuring (stellario-Carpinetum)

De doelstellingen met betrekking tot de fauna zijn vooral soorten gebonden aan bossen en bosranden.
avifauna: buizerd, ransuil, gekraagde roodstaart, zwarte specht, houtsnip.
zoogdieren: vliermuizen gebonden aan rechtopstaande dode of holle bomene, vos, ree, wezel, buzing, eekhoorn.
insecten: eikepage, bontzandoogje, citroenvlinder, hoornaar.

Toegankelijkheid: niet toegankelijk voor gemotoriseerd verkeer  
Openstelling: Het gebied wordt gratis opengesteld voor wandelen, zachte recreatie en natuurbeleving. Fietsers kunnen gebruik maken van de dreven rond het bos. Geleide bezoeken worden op vraag georganiseerd. Het meest zuidelijk deel zal ingericht worden als natuureducatief bos. Een ruiterpad wordt aangelegd.  

oppervlakte: 28 ha in huur
conservator: André Vanhevel, 050/27 78 73
startdatum: 2001
aard: eiken- en beukenbos
ligging: Zedelgem, toegang via de Belledreef en de Herderinnedreef. Je bereikt deze dreven langs de Bergenstraat en in het zuiden via de Cijnsdreef.
toegang: Opengesteld voor wandelen, zachte recreatie en natuurbeleving, niet toegankelijk voor gemotoriseerd verkeer

zib

U kunt dit project steunen door een storting op rekeningnummer 293-0212075-88 van Natuurpunt vzw, met vermelding "projectnr. 5552"
Vanaf € 30,00 ontvang je een fiscaal attest.


Bezoek ook de website http://www.natuurpunt.be/inzicht

vorig reservaat   volgend reservaat



aanvullende informatie of opmerkingen qua inhoud zendt U naar de webmaster


naar homepage     gastenboek

een website ontwerp van Studio Kontrast