ZEVENKERKEN (St-Andries)

Historische evolutie van de gronden van de St-Andriesabdij.

De gronden van de huidige abdij maakten in de 7e eeuw deel uit van het Merovingische kroondomein Snellegem dat in de 9e eeuw een grafelijk domein werd onder Boudewijn I, de eerste graaf van Vlaanderen. In de 11e eeuw ( en wellicht nog vroeger ) stond aan de uiterste grens van de heerlijkheid van Straten, op zowat 3 km van Brugge, een kerkje gewijd aan St-Andries. Men noemde het Bethferkerke, naar de bouwer ervan. In juni 1098 zat de toenmalige graaf van Vlaanderen, Robrecht II van Jeruzalem, vast in AntiochiÎ dat belegerd werd door de Turken. In die voor hem moeilijke dagen kwam een Provencaalse boer, Barthelemy Pierre, hem vertellen dat de apostel Andreas hem verschenen was en hem ingaf waar de lans die de zijde van Christus had doorboord, verborgen zat. Robrecht hechtte hieraan geloof en beloofde een klooster te stichten in het kerkje van Bethferkerke indien hij het er goed en gezond vanaf zou brengen. Overigens mag men aannemen dat de graaf al een tijdje naar een gelegenheid zocht om zich van het heiligdommetje te ontdoen. In 1095 was in Clermont immers bepaald dat het leken verboden was om altaren of kerken in hun bezit te hebben. Dus schreef Robrecht een brief aan zijn vrouw en droeg haar op in zijn naam het kerkje over te dragen aan de monniken van Affligem. Dit gebeurde in 1100 of 1117.
In 1188 scheidde de priorij zich af van het moederklooster en verwierf zelf de titel van abdij. Ze was toen al in het bezit van een groot domein. Tussen 1111 en 1115 schonk graaf Boudewijn Hapken het domein "Bencebruch" ( Beisbroek ) aan de abdij. Dit gebied omvatte 115 ha vochtig gronden en moerassen. Nog later, in 1252, kocht de abt van Margaretha, gravin van Vlaanderen en Henegouwen, het "Veld" , een 400 ha groot heidegebied. In 1348 schonk de abdij een deel van haar gronden aan het Karthuizerinnenklooster St-Anna-ter-Woestijne, gelegen in de hoek tussen de Diksmuidse Heerweg en de Zeeweg. De ontginning verliep uiterst langzaam en toen in 1678 de abt zijn bezittingen liet opmeten, bevonden zich in het hele domein slechts 5 kleine hoeven. Bijna 100 jaar later bleek dat aantal niet toegenomen.
Tijdens de Franse Revolutie werden alle kloosters gesloten. De abdij werd opgeheven in november 1796 en openbaar verkocht als nationaal goed. Waarschijnlijk werd de abdijkerk afgebroken in augustus 1802. De gronden kwamen in handen van enkele edellieden, de Heer Louis van Outryve d'Ydewalle en Jonkheer de l'Epèe, die onmiddellijk de ontginning ervan aanvatten. Ze bezaten respectievelijk de gronden ten zuiden en ten noorden van de Diksmuidse heirweg.

De heidevelden werden omgevormd tot landbouwgrond of bebost met overwegend naaldhout. De rechte dreven maakten alle percelen goed bereikbaar. Tegen 1820 waren de laatste heidevelden aldus verdwenen. In de tweede helft van de 19e eeuw besloegen de dennebossen reeds grote delen grond. Op 17 juni 1901 stemde de Paus toe in de oprichting van de nieuwe St-Andriesabdij, als " erfgenaam van die welke 7 eeuwen had gebloeid op het Brugse platteland ". Het nieuwe klooster was toen nog maar in opbouw. Nu is het alom gekend onder de naam Zevenkerken. In de loop der tijden verrezen er in het voormalige Bencebruch en het Veld ook landhuizen zoals Tudor, Beisbroek, 't Foreyst, Peereboom en Ter Heyde.

Motivatie voor het beheer als natuurreservaat van enkele percelen bij de Abdij Zevenkerken.

Een aantal percelen toebehorend aan de Abdij van Zevenkerken werden door Arnout Zwaenepoel en Thomas Defoort geïnventariseerd op 31 mei 1996. Op deze percelen komen heidevegetaties voor of ze hebben grote potentie om tot heide te evolueren mits een aangepast beheer. Na onderhandelingen met de St-Andriesabdij werd in 1997 een beheersovereenkomst afgesloten voor zowat 3,5 ha.

De soortenlijst van de geïnventariseerde percelen telt 106 plantensoorten, waarvan ongeveer 60% typisch is voor heiden en heischrale graslanden. De meest kritische soor-ten die werden aangetroffen zijn liggende vleugeltjesbloem, tweenervige zegge en vooral rode dopheide. De eerste twee staan als potentieel bedreigd op de Rode Lijst (Cosyns et al., 1995), de laatste als bedreigd. Tweenervige zegge en rode dopheide hebben een beperkt verspreidingspatroon. Rode Dopheide: ten Z van Brugge en in de Hoge Kempen, Tweenervige Zegge: ten Z. van Brugge en in de Hoge Venen.. De grootste populatie van beide soorten staat in het nabijgelegen Vloetemveld. Met de onzekere toekomst van dit gebied voor ogen worden de overige relictpopulaties des te belangrijker. Ook in een aantal dicht rond Brugge gelegen reservaten (Schobbejakshoogte, Gulke Putten) ontbreekt rode dopheide. De populatie rode dopheide in Zevenkerken is ook groter dan deze in het nabijgelegen Rode Dopheide-reservaat. Het is opvallend dat Zevenkerken vooral hoog scoort wat de drogere heiden en heischrale graslanden betreft. Slechts op enkele plaatsen, zoals het vennetje, komen enkele natte hei-indicatoren voor zoals trekrus, knolrus en gewone dopheide. De nabijheid van waardevolle soorten in het Vloetemveld, gekoppeld aan een natuurgericht beheer van het vennetje bieden meer mogelijkheden voor het soortenspectrum dan wat nu aanwezig is.
De beheersvoorwaarden om het behoud van de huidige natuurwaarden te bewerkstelligen, houden in dat de recente aanplant van douglas, grove den en Amerikaanse eik weer ongedaan wordt gemaakt. De graslanden worden vrij extensief beheerd. Het vennetje is nu reeds rijk aan libellen en waterjuffers. Zo werden de laatste jaren reeds Metaalglanslibel, Venwitsnuitlibel en Zwervende Pantserjuffer waargenomen. In het reservaat telden we reeds 22 soorten libellen en juffers, en evenveel soorten vlinders.


Reservaat Abdij van Zevenkerken

Door Thomas Defoort

In de loop 1996 nam Natuurpunt vzw afd. Brugge kontakt op met de Abdij van Zevenkerken. Of we een kleine kapvlakte in het domein van de Abdij niet konden beheren als natuurreservaat? Ja, die open plek in het bos, waar de bomen maar niet willen groeien. Zou die dan misschien van belang zijn voor natuur? Zo had men het nog niet bekeken op de Abdij. We mochten een voorstel doen. Dat lieten we ons geen twee keer zeggen! De reacties waren positief, een beheersovereenkomst werd getekend, en vanaf 1997 konden we van start gaan met het natuurbeheer.

Het jongste Brugse reservaatje (ongeveer drie ha groot) ligt ingesloten in het voor het publiek ontoegankelijke deel van het Abdijdomein. Een oud Grove dennenbestand op dit terrein werd zo’n 20 jaar geleden gekapt. De heraanplanting met Amerikaanse eik, Grove den en Fijnspar mislukte grotendeels, en de natuur greep haar kans. Spontaan groeide de kale, droge grond dicht met schraal grasland en heide. Tegelijk vestigden zich berken en Zomereik. Die spontane boomopslag en de aangeplante bomen dreigden uit te groeien tot een heus bos, zodat een kapping stilaan dringend werd, als we de spontane heidevegetatie wilden behouden.

Die heide willen we inderdaad behouden. Er komen immers heel wat bijzondere planten en dieren voor. De bijzonderste is wel de Rode dophei. Dit is de soort die de heidevelden van Bretagne, de Landes of het noorden van Spanje z’n felle kleur geeft. In Vlaanderen bereikt hij de noordgrens van zijn verspreiding, met twee gescheiden areaaltjes: ten zuidwesten van Brugge en in de streek van Maasmechelen. Andere typische en zeldzame soorten zijn Tweenervige zegge (met een gelijkaardige verspreiding als de Rode dophei), Liggende vleugeltjesbloem (beide op de Vlaamse Rode lijst voor planten) en Bruin blauwtje (op de Rode lijst voor vlinders). Daarnaast vind je er Gewone dophei, Struikhei, Tormentil en een reeks minder opvallende, maar even karakteristieke soorten.

Hoe komt die heide hier nu? We onderzochten de voorgeschiedenis van ‘ons’ perceel en z’n omgeving aan de hand van schriftelijke bronnen, historische kaarten en kadastrale leggers. Minstens vanaf 1252 tot 1810 maakte het deel uit van een uitgestrekt heidegebied, het Sint-Andriesveld. Dat werd ontgonnen voor de landbouw vanaf ongeveer 1800. De beste gronden werden omgezet tot akkers en weilanden, de armste bebost met naaldhout. Heide laat zich echter niet zomaar verdringen. De zaden van veel heideplanten blijven zeer lang, tot 100 jaar en langer, kiemkrachtig. Van zodra zo’n heidebebossing gekapt wordt, schiet de heide er weer overal uit de grond. Als zo’n terrein opnieuw bebost wordt, verdwijnt de heide weer tijdelijk (omdat die licht nodig heeft), om bij een volgende kapping opnieuw te kiemen. Dat is wat gebeurde in Zevenkerken, en in het Rode Dopheidereservaat (het tweelingreservaat langs de autostrade, op de terreinen van de Vlaamse Maatschappij voor Waterwinning, op een boogscheut van Zevenkerken) en de heideveldjes van Beisbroek en Tillegem. In Zevenkerken hadden we dus de kans het heide-lappendeken in Sint-Andries en Sint-Michiels een beetje uit te breiden.

Ook voor het beheer van een aanpalend perceel werden afspraken gemaakt met de Abdij. Een ingezaaid gazon, ooit bedoeld als tuin bij een kleine woning, ontwikkelde zich mettertijd tot een echt heideveldje, met nog veel meer hei dan in de kapvlakte. Minstens even belangrijk is een kleine plas, bijna 15 jaar geleden gegraven als tuinvijver in dat ‘gazon’. Deze heeft, net als het plasje in het heideveldje van Beisbroek, eerder de allure gekregen van een heideven. Vooral de spectaculaire libellenpopulatie (zowel qua soortenrijkdom als aantallen) verantwoordt een natuurgericht beheer.

Het gevoerde beheer gedurende die laatste vier jaar bestond voornamelijk uit houthakken. In het centrale deel van de kapvlakte werden alle aangeplante naaldbomen verwijderd en een deel van de jonge berken. De eiken werden voorlopig ongemoeid gelaten. We hebben de indruk dat de heide zich hierdoor lichtjes heeft uitgebreid. Verder werden ook enkele plekken geplagd in 1999. Dat betekent dat de zode of de toplaag van de bodem weggeschept wordt. Daardoor komt de zaadvoorraad in de bodem aan de oppervlakte te liggen en wordt het ideale kiemingsmilieu voor heideplanten geschapen, namelijk blootliggend zand. Bovendien werd op die manier het Duinriet verwijderd. Deze soort dreigde aanzienlijke terreindelen dicht te groeien. Veel heide kiemde er helaas voorlopig niet op de plagplekken, zo bleek deze zomer. Wel vonden we kiemplantjes van Veelbloemige veldbies en Pilzegge, ook typische soorten voor heide en heischraal grasland, naast de minder enthousiast begroete Schapezuring, bramen en Wilgeroosjes (hoe mooi die ook zijn!). Het plaggen leverde echter meteen een verklaring op hiervoor, en ook voor het feit dat we voorlopig eerder een grasland met verspreide heideplanten hebben – geen echte heide zoals in het ‘gazon’ of in het Rode Dopheidereservaat. Het bleek immers dat we hier niet op een podzolbodem, karakteristiek voor ongestoorde heidebodems, zitten, maar dat de bodem ooit geploegd moet geweest zijn. De bovenste 20 centimeter zijn immers homogeen, humusrijk zand. De heidezaden zijn hierbij uiteraard mee ondergeploegd, zodat er minder aan de oppervlakte komen te liggen na plaggen. Dit alles betekent dat de evolutie naar een heidevegetatie lang op zich kan laten wachten. Niet getreurd echter, de huidige vegetatie is op zich al bijzonder genoeg! Tot slot past hier wel een woordje van dank aan alle vrijwilligers die op de werkdagen hun boompje hebben omgelegd of hun stukje geplagd. Hun hard labeur leverde al mooie resultaten op!

oppervlakte: 4 ha in huur van St.-Andriesabdij
contact: Stefaan Verplancke, Pastoriestraat 66, 8200 Brugge, 
050/38 21 50, verplancke-de.neve@skynet.be 
startdatum: 1997
aard: Heidegebied
ligging: In de onmiddellijke omgeving van de St.-Andriesabdij Zevenkerken (St.-Andries-Brugge)
toegang: toegankelijk tijdens geleide wandelingen

zib
U kunt dit project steunen door een storting op rekeningnummer 293-0212075-88 van Natuurpunt vzw, met vermelding "projectnr. 5542"
Vanaf Ä 30,00 ontvang je een fiscaal attest.

vorig reservaat   volgend reservaat



aanvullende informatie of opmerkingen qua inhoud zendt U naar de webmaster


naar homepage     gastenboek

een website ontwerp van Studio Kontrast